Wie moet de autonome mobiliteit aansturen?  “Samenwerking tussen overheid en industrie bepaalt de toekomst”

Een met AI gegenereerde foto: een autonome shuttle in de straten van Brussel (op de achtergrond een Brusselse tram)
Illustratie gegenereerd met AI (Nano Banana Pro via Use AI)

Autonoom rijden wordt vaak gepresenteerd als een puur technologische revolutie, gedreven door de markt. Volgens Tim Asperges, gastprofessor Autonome Mobiliteit en voormalig Vlaams Mobiliteitspersoonlijkheid van het Jaar, is het echter in de allereerste plaats een sturingsverhaal (governance). Asperges, die als mobiliteitsadviseur van de stad Leuven mee aan de wieg stond van een van de meest succesvolle stedelijke mobiliteitstransities in Europa, mocht op 26 mei (2026) de openingspresentatie verzorgen tijdens de prestigieuze POLIS Network Leadership Summit in Zagreb. Zijn boodschap aan de Europese top was helder: de kernvraag is niet wat de technologie kan, maar wat we willen dat het doet voor onze steden en onze burgers.

Tim Asperges in zijn LinkedIn-bericht over zijn betoog in Zagreb:

“Autonoom rijden is niet alleen een technologisch verhaal. Het is vooral een bestuursverhaal. En dat is belangrijk, want de echte vraag is niet alleen wat de technologie kan doen, maar ook wat we willen dat het doet voor onze steden en burgers.
 
Dit is geen verhaal van de industrie versus de overheid.  We hebben beide nodig. We hebben de industrie nodig om te innoveren, te investeren, risico’s te nemen en nieuwe capaciteiten op de markt te brengen. Maar we hebben ook publieke autoriteiten nodig om de richting te bepalen, want commerciële logica en publieke logica zijn niet identiek.

Men kijkt natuurlijk naar vraag, schaal en omzet. De andere moet kijken naar veiligheid, toegankelijkheid, inclusie, openbare ruimte en de prestaties van het mobiliteitssysteem als geheel.”

Met deze woorden maakt Asperges de fundamentele scheiding in logica direct duidelijk. Waar de markt logischerwijs kijkt naar vraag, schaalvergroting en winst, moet de publieke logica waken over veiligheid, bereikbaarheid, inclusiviteit, de inrichting van de publieke ruimte en de prestaties van het mobiliteitssysteem als geheel.

Volgens Asperges is de uitdaging voor beleidsmakers dan ook niet om innovatie af te wijzen, maar om deze te stroomlijnen met de maatschappelijke doelen. Als autonoom rijden een meerwaarde wil bieden aan de stad, moet het voertuig gedeeld, gebundeld en publiek georiënteerd zijn. Het mag niet leiden tot meer individueel privévervoer en extra autokilometers.

Een volwaardig mobiliteitssysteem moet ruimte bieden aan iedereen. Technologie mag niet leiden tot uitsluiting. Ouderen, mensen met een handicap of burgers die altijd menselijke assistentie nodig zullen hebben, passen niet direct in het plaatje van de geautomatiseerde comfortmaatschappij. Autonoom rijden gaat daarom onlosmakelijk over transport justice (transportrechtvaardigheid).

Asperges stelt daarom een concreet Transport Justice Fund voor. Dit fonds wordt gefinancierd door de operationele besparingen die autonoom openbaar vervoer oplevert. De winst vloeit zo niet alleen terug naar nieuwe technologie, maar garandeert ook de mobiliteit en persoonlijke assistentie voor kwetsbare groepen.

Het Europese ‘Sputnik-moment’

In zijn verslag over zijn betoog in Zagreb blikt Asperges ook vooruit naar de unieke kansen voor ons continent:

“Europa loopt misschien achter in de technologische race, maar dat betekent niet dat Europa niet kan leiden. Integendeel, dit kan Europa’s Sputnik-moment zijn. Europa moet zich minder richten op het kopiëren van het dominante robotaxi-verhaal en meer op het opbouwen van een uitgesproken Europees CCAM-model dat is geïntegreerd met het openbaar vervoer en wordt bestuurd door middel van duidelijke voorwaarden van algemeen belang. Europa moet investeren in de verbonden digitale laag die dit mogelijk maakt: gemeenschappelijke data-kaders, interoperabel verkeersbeheer en de infrastructuur voor dynamische toegangsrechten en curb management.”

Met dat Europese CCAM-model doelt Asperges op een visie waarin zelfrijdende technologie niet leidt tot individuele, commerciële robotaxi’s zoals in de VS of China, maar waarbij slimme voertuigen continu digitaal communiceren met elkaar én met de infrastructuur (zoals slimme verkeerslichten). Het hoofddoel is volledige integratie met het openbaar vervoer.

Om dit te sturen, moeten steden volgens de expert overschakelen op een digitaal beheer van hun schaarse openbare ruimte. Bij dynamische toegangsrechten bepaalt de overheid heel flexibel – op basis van drukte of tijdstip – welk type voertuig op welk moment een straat in mag. Dit gaat hand in hand met curb management (digitaal stoeprandbeheer). Hierbij verandert de functie van de stoeprand gedurende de dag: de ene uren is het een laadzone voor logistiek, daarna een veilige in- en uitstapzone voor deelvervoer, en ’s avonds een fietsparkeerplek of terras.

De echte belofte van autonome mobiliteit in Europa is bijgevolg niet dat voertuigen zelfstandig rijden, maar dat onze mobiliteit eerlijker, slimmer en inclusiever wordt. Het is aan de overheid om mee vorm te geven aan hoe steden vooruitgaan.


Delen met:

Geef als eerste een reactie

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.