COLUMN – Er zijn van die uitvindingen die niet mislukken omdat ze slecht zijn, maar omdat ze te vroeg komen. De Witkar was zo’n uitvinding. Amsterdam, jaren zestig. De stad rook nog naar benzine, provo, verzet en verbeelding. De auto rukte op, de straten slibden dicht, de lucht werd grijzer en de burger werd langzaam maar zeker voetganger in zijn eigen stad. En toen kwam daar dat witte wondertje op drie wielen.
Die dwarse, creatieve provo-geest. De geest van anti-autoriteit, ludieke actie en een bijna kinderlijke ernst: de overtuiging dat een betere wereld niet alleen bedacht, maar ook uitgeprobeerd moest worden.
De ontwerper van de witkar was Luud Schimmelpennink, industrieel ontwerper en provo van het soort dat niet alleen protesteerde tegen de werkelijkheid, maar er ook meteen een alternatief naast zette.
Eerst was er het Witte-Fietsenplan uit 1965: gratis witte fietsen voor iedereen. Geen bezit, maar gebruik. Geen blik op vier wielen dat de stad verstikte, maar gedeelde mobiliteit voor de gewone Amsterdammer.
En daaruit groeide later de Witkar. Een klein elektrisch stadsautootje. Wit. Eigenwijs. Drie wielen. Twee zitplaatsen. Een elektromotor. Een topsnelheid van zo’n dertig kilometer per uur. Niet bedoeld om te pronken, maar om te delen.
In 1968 reed het prototype zijn eerste rondje op de binnenplaats van het Amsterdamse stadhuis. En in 1974 kwam het systeem echt op gang, met een station op het Amstelveld en later ook op plekken als de Elandsgracht, de Nieuwmarkt, de Oude Brugsteeg en het Spui.
Met een elektronische sleutel kon je zo’n karretje ophalen, door de stad rijden en het elders weer opladen. Klinkt bekend? Natuurlijk klinkt het bekend. Elektrisch rijden. Deelmobiliteit. Minder parkeerdruk. Minder vervuiling. Minder privébezit. Meer stad voor mensen.
Allemaal begrippen waar beleidsmakers vandaag rapporten, congressen en dure adviescommissies aan wijden. Maar in Amsterdam reden ze toen al rond in een wit karretje dat eruitzag alsof de toekomst per ongeluk in 1968 was afgeleverd.
Was het een succes? Niet in commerciële zin. Daarvoor was de techniek te beperkt, de actieradius te klein, het netwerk te bescheiden en de tijd nog niet rijp. Er kwamen uiteindelijk zo’n 35 Witkarren en vijf stations, terwijl Schimmelpennink droomde van honderden, misschien wel meer dan duizend.
Maar sommige ideeën moet je niet beoordelen op hun opbrengst, maar op hun vooruitziende blik.
De Witkar was geen mislukte auto. De Witkar was een waarschuwing.
Een vrolijke, witte, Amsterdamse waarschuwing dat de stad niet van het verkeer is, maar van de mensen. Dat vooruitgang niet altijd groter, sneller en zwaarder hoeft te zijn. Soms is vooruitgang juist kleiner, stiller en gedeeld. De Witkar was een provo-droom op drie wielen.
Klein, wit, elektrisch en eigenwijs. En vooral: minstens vijftig jaar te vroeg.
Lees ook: De Witkar – Auto’s delen in de jaren zeventig
Noot van de redactie:
Inderdaad 50 jaar te vroeg. Ondertussen wordt er gewerkt aan soortgelijke alternatieven. Zoals bv. de Urban Loop zoals men die in de Noord-Franse stad Duinkerke wil aanleggen. Deze is dan wel op zeer lichte sporen: “Innovatief spoorconcept moet vanaf 2028 havenwerknemers van Duinkerke (F) naar hun werkplek brengen“.
Anderzijds heeft de Zuid-Tiroolse kabelbaanconstructeur een systeem ontwikkeld waarbij de gondels worden afgekoppeld van de kabelbaan en op een zelfrijdend chassis worden geplaatst: “Hybride kabelbaan zowel op de weg als in de lucht in zijn sas” (lees ook: CONNX). Er beweegt dus wel duidelijk wat.
Ze waren voordat ik bewust van de wereld was, maar een vooruitziende geest en een geweldig initiatief van de Provo’s. Ik zal het artikel doorsturen naar Roel van Duijn.
Doen !